Hoy
(vandaag) (hoi) is het lunes
(maandag) (loenes) mañana (morgen) (manjanna) is het martes. (dinsdag) (martes) Op de dag na martes is het miércoles
(woensdag) (mjiercoles)
En op jueves
(donderdag) (gwueves) moet ik naar de tandarts. En op viernes
(vrijdag) (bjernes)
komt mijn vriendin logeren! Ze blijft tot sábado
(zaterdag) (sabbadó) !
Daarna, op domingo
(zondag) (domíngó) is mijn zusje jarig!
En ayer
(gisteren) (ajér) had ik ook al een feestje van mijn oom!
Dit is onderdeel van: Beginwoorden. Ben je hier nieuw? Dit is het vierde bericht. Ga opzoek
naar het eerste bericht als je het nog niet gelezen hebt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten